Hubertus -Bertus- Toebak.
Ina Hoogenbosch-Glas

Bertus Toebak is een bekende naam en is vooral bekend in Slootdorp. Hij zorgde voor een ijsbaan in 1948. Later toen zijn vrouwziek was, zwaaiden alle kinderen die voorbijkwamen naar haar. Dit heeft ze erg veel plezier gebracht. Hubertus is geboren op 18-04-1907 in Hoge en Lage Zwaluwe Brabant als zoon van Anthonie Toebak en Catharina Tabak. Hubertus is in 03-05-1935 akte 13 in Zevenbergen getrouwd met Jacoba van Alphen 15-01-1912 -01-12-1983.

 Vanaf 6 juni 1928 schreef Bertus Toebak zijn levensverhaal:

“Als jongeman van eenentwintig jaar kwam ik vanuit Lage Zwaluwe om mee te helpen de Zuiderzee te ‘dempen’”. Hij was een harde werker die in 1928 vanuit Lage Zwaluwe met vijf gulden, geleend geld, van een vriend en die zich had opgegeven bij ploegbaas Diependaal uit Made. Deze vriend zou met een vrouw en kinderen ‘s maandags vertrekken naar Den Oever om voor de Zuiderzeewerken te gaan werken met voorlopige standplaats Den Oever.

Deze vriend had zich teruggetrokken omdat hij een meisje had ontmoet en daarom niet heen wilde gaan of Bertus in de plaats wilde gaan. ‘Je moet met de trein en samen met dat gezin met vijf kinderen meereizen. Jij heet dan Jan van Diepen.’ Zogezegd zo gedaan. Kaartje zou in Dordrecht gekocht worden. Na 7 uur reizen kwamen ze in van Ewijcksluis aan, daarna nog met de bus naar Den Oever en dan nog tien minuutjes lopen naar de Sluisput. Er stonden zo’n dertig keten voor twintig personen per keet waaronder steenzetters en grondwerkers. De koffers met een lorrie opgehaald bij de bushalte en weggezet in een keet. ‘Ik was ingedeeld met acht grondwerkers, krammers, opzichters en afmakers. Er moesten dertig zakken met stro voor de bedden volgestopt worden. De keetvrouw had ’s morgens voor het te werk gaan de koffie klaar en ik had mijn broodtrommeltje gevuld. De mensen wilden wel eens meer contact met anderen. Helaas was dat contact weer snel over toen er verhuisd werd.  Er was in 1928 een strenge winter de boot voer niet en brood moest je zelf halen door middel van een zelfgemaakte slee met lange touwen en acht man.

Het was zeven uur in de morgen en komen aan bij de haven, wat waren er veel mensen, ‘moeten die allemaal mee met de boot’ vroeg ik me af. De boot droeg de naam ‘Jan van Gendt’. Ze moesten allemaal naar de Oude Zeug waar ze moesten beginnen met de dijk van 18 kilometer te voltooien. Het was een grote bult zand met alleen water, water en nog meer water. Met de kop van het vaartuig op de zandplaat geland waar iedereen van de boot af moesten springen. Steigers waren er niet.  Gerard Poepjes sprong te vroeg van de boot en viel in de haven maar wist zich te redden. Opdracht was een vluchthaventje maken voor de grondbakken, puin en blokken steen. Er werd gewerkt met alleen maar kruiwagens. De blokstenen waren al gauw 150 kilo per stuk. Ik kreeg een man mee om mee te duwentegen de dijk op. Er was ongeveer 500 meter dijk bovenwater gekomen. Na vijf maanden kwam de grote verhuizing. De dertig keten werden uit elkaar gehaald en weer opgebouwd op de Oude Zeug. Na drie dagen moesten we je eigendommen meenemen want we bleven op de Zeug wonen. Ik had een halfjaar heen en weer gevaren naar het werkeiland Oude Zeug. In 1929 ging ik wonen op de Oude Zeug. De huisvesting op de Oude Zeug was prachtig, je kon zo verkijken zover het oog rijken kon. Het werd een klein dorpje op zich waar je weer nieuwe vrienden maakte in het gezellige café, en had je gauw contact met vrienden de caféhouders daar kon je de polderjongens vinden en de schippers en personeel van de sleepboten, ook zij kwamen uit alle windstreken. Gelukkig leerde je weer nieuwe mensen kennen. Eenmaal op de Oude Zeug konden ze weer een uurtje langer slapen. Het wende weer snel. De jongens kwamen uit alle windstreken. We kregen een uur overwerk per week uitbetaald omdat we de lamp op de Pier van de haven aanstaken. Er waren dertig werkenden met hun gezinnen en kinderen. De kinderen gingen naar Medemblik naar school en op zondag naar de kerk en ’s middags voor vertier weer terug naar Medemblik. Zaterdag en zondags werden er inkopen gedaan of werd er uitgegaan maar om 7 uur met de schepen terug naar de Oude Zeug, naar ”huis”. Eens in de vier weken kon je naar huis van vrijdagmiddag tot maandagmiddag met reisvergoeding. In november 1929 had ik verlof samen met 30 dijkwerkers, steenzetters, grondwerkers met vrouwen en kinderen van vrijdag- tot en met maandagmiddag. Op de terugweg bij Ewijcksluis konden ze niet verder het was zo glad dat je niet op je benen kon blijven staan. De bus ondernemer kon dus niet komen vanuit Den Oever. Geslapen in Hotel Blauwboer

Prins Hendrik

Hoog bezoek zou er zijn er in 1928 op de Oude Zeug waar Prins Hendrik op werkbezoek zou komen. Er moest een aanloopstijger gemaakt worden en een trap tegen de dijk om naar boven te komen. Boven op de dijk moesten rietenmatten neergelegd worden om over te lopen. Twintig vlaggen stokken met vlaggen stonden klaar dus de hoge heren konden komen. De volgende dag om drie uur waren de bazen van de dijkwerkers aan het wachten. “Ik was in een ploeg ingedeeld en mocht meegenieten”. De zee werd afgetuurd want de hoogheid had ook een werkbezoek gebracht aan Friesland. Eindelijk zagen ze in de verte een mooie boot aankomen met koninklijke standaard in de mast. Nog even en ze hebben de Oude Zeug bereikt. Wat een deceptie hij voer ver van de kust langs en kon er alleen maar gezwaaid worden. “Enkhuizen was vast mooier” werd er al geroepen. Snel werd alles weer opgeruimd en kon men verder met waar voor ze daar waren; de dijk.

In 1929 is het varen naar Medemblik om naar de kerk te gaan verleden tijd. Op de Oude Zeug is een groot terrein geplaatst waar een noodkerkje geplaatst werd. Zondags kwamen de priesters elke week met een sleepboot naar de Oude Zeug.  Mevrouw Verbiest was erg ziek en is met een sleep op een ladder naar het Ziekenhuis in Hoorn gebracht helaas is ze overleden. Na elke kilometer dijk leek het karwei zo nabij maar o wee als de storm er weer aan kwam dan kon je van voor af aan weer op nieuw beginnen. Eind 1929 was er storm op zee er moesten 20 bakken en schijnwerpers opgevangen worden aan de dijk, gelukkig was alles was gered. Eind 1929 was het dan zover zandbakken met stenen en sleepboten moesten voor het gat in de dijk geplaatst worden om de stroming tegen te houden en de kranen het laatste beetje dicht te krijgen. Met veel inspanning was het zo ver en konden de pompen beginnen met malen, Kolhorn, Andijk, Medemblik en Den Oever. Na 10 maanden was de polder droog. “Ik ging eens een avondje uit in Medemblik”. Zondagavond de boot “Jan van Gendt” gemist. Hij heeft een zolder gezocht om te slapen om maandagochtend met de sleepboot terug te gaan naar de Oude Zeug. “Ik was mooi op tijd terug”.

De afsluitdijk moest dan nog gemaakt, dus van 18 kilometer naar 34 kilometer. Bertus had daar geen zin in en tekent niet om mee te gaan met de ploeg Diependaal. Het loon was slechter geworden en de vier weken een weekend vrij was vervallen. In 1930? juli 1929? was de Wieringermeerdijk dicht en hielp hij mee met het graven van de doorvaart van Medemblik naar de Wieringermeer. Het was volgens het zwaarste werk dat ik had meegemaakt bij de Zuiderzee werken. Er werden kiepkarren van vier kuub gevuld met aarde die grond ging met een spoortreintje met twintig karren van Medemblik naar Den Oever de grond werd gebruikt voor teeltaarde, want de dijk was van keileem en er moest nog 30 cm op de dijk, voor het inzaaien van graszaad.  De gemalen konden gaan malen om 20 duizend hectare bouwgrond boven water te krijgen.

Vanaf 1930 /1931 werd de Zuiderzee Wieringermeer genoemd. Grote aannemers waren toen Heide Maatschappij en Grond Maatschappij en later de Cultuurmaatschappij. “In 1931 kwam ik werken bij de beide Maatschappijen”. Hij vestig zich in kamp Sluis I. “De eerste bedrijfsboer, waar ik bij kwam was de Bont, die woonde op het Oostpunt. Uiteindelijk belande ik in Wieringerwaard om weer via pontjes op het juiste adres te komen”. Ze konden daar greppels maken en daarna de eerste oogst met man en macht hooischelven maken en zo gingen ze maar door totdat de hoge heren je kon gebruiken voor zwaarder werk. Dorsen van half 6 tot ’s avonds half tien. Bij een hooi of graanpers moest je een half uur eerder beginnen om de machines door te smeren enz. Dit werk ging door tot 1935-1936. “Ik ging in 1935 naar Medemblik om in 1936 naar de Sternstraat 8 te verhuizen”. Die tijd konden de arbeiders zich opgeven om bij particulieren boeren, die een bedrijf wilden huren en een knecht of arbeider moesten hebben. Voor die boeren waren er drie keuzes; groenbedrijf, gemengd bedrijf of een bouwbedrijf. De Friezen waren op groenbedrijf aangewezen en de Groninger een bouwbedrijf, Zeeland en Brabant een gemengd bedrijf. Bertus kwam op een gemengd bedrijf weer op de Oude Zeug bij boer Vossen een Limburger. Bertus bofte maar want het was een ‘prachtkerel’ om bij te werken. Bertus werkte daar vijf jaar van 1945 tot met 1945.

Vluchten

De onderwaterzetting was iets om nooit te vergeten weer was de polder onderwater en begon alles weer op nieuw. Ieder zocht weer ander werk en zo verloren we elkaar uit het oog. Maar je was Wieringermeerder en je bleef Wieringermeerder. De evacuatie vanuit Wieringerwerf gebeurde met paard en wagen van landbouwer Vossen. Er moesten drie gezinnen mee van Wieringerwerf naar Kolhorn. Het was allemaal al geregeld door een commissie. De buren P. Brattinga en Mertens en drie vrouwen en 8 kinderen die niet konden lopen mochten op de wagen. Mijn vrouw was toen in verwachting. Een kinderwagen achter de wagen met een baby van mijn zus. Zo kwamen we op de dijk bij Kolhorn, daar stonden de Duitsers te wachten of er nog wat voor hen bij was. Van onze wagen trokken ze twee dekens mee en je was blij dat je weer verder mocht. Bij boer Brugman aangekomen, de wagen leeg laden. De twee bedden moesten maar naar de koestal want de koeien waren een dag van stal naar de weide. De boer had het droog stro verspreid en daar werden de bedden opgezet. De gier van de mest was doorgetrokken in de bedden. De vrouwen huilden maar gelukkig duurde het maar vijf dagen daarna ging het transport weer verder. We kwamen in Opmeer aan bij boer Glas het paard in de stal gebracht en alle drie de gezinnen. Het was niet veel beter dan in Kolhorn. De eerste nacht waren de sokjes weg van een Rotterdammertje van 14 jaar die ik had aangenomen van familie uit Rotterdam. De vrouw des huizes betrapte mevr. Toebak bij de WC die 20 meter van de schuur stond langs de slootkant. De bazin had gezien dat Bertus zijn vrouw de klompjes had aangehouden op binnenkomen. Dus de Wieringermeerder was goor volk. Elke morgenvroeg stonden mensen voor de deur in een rij voor een paar liter melk, mocht eigenlijk niet. Maar de boer gaf toch, dat was zijn goede kant. We zaten daar 4 tot 5 weken. Op een morgen komt de zoon van de melkfabriek terug. Hij loste de waterbussen die hij van de fabriek mee terug nam. Een van die bussen die voor ons bestemd was gooide hij tegen de ramen leeg en zei; “jullie krijgen geen water meer want je hebt nog nooit betaald”. We hadden dat nooit geweten, waren hiervan niet in kennis gebracht dat zo’n bus water op de fabriek 5 cent koste. We hebben ons zelf wel gered maar je kon merken dat er wat broeide. De zomer kwam aan en het hooi moest van het land naar binnen. Maar hoe moesten ze de schuur uit. Boer Glas zat in de gemeenteraad dus is daar wel over gepraat. Nou het klopte, in Wad Way stond nog een boerderij van Maeke Loos. Het huisje was van boer Schoenenmaker maar stond leeg en was half gesloopt want het was een trekpleister van Duitsers. Maeke Loos was bevriend met de Duitsers. Nou dat was wat voor de familie Toebak. Het wat niet fraai waar ze kwamen, heel de dorsvloer en de koe-gang was weg, gesloopt, De kamer in huis was slecht de kachel kon je niet stoken. Maar goed ze hadden een huis. De huurprijs was 175,- gulden maar voor Wieringermeerders 250,- gulden. Bertus was het er niet mee eens en heeft het bestuur van de bond op de hoogte gebracht. Na een aantal weken kwamen de heren uit Alkmaar om informatie te vragen. Ze zouden er wat aan gaan doen. Een paar weken later kwam er een brief met een antwoord er waren geen termen aanwezig om er iets aan te doen. De voorzitter was woest maar Toebak kon betalen.

1945-1947 was het zwerven voorbij en kreeg Bertus een aanbieding van de gemeente Hij verdiende 25,00 gulden bij de boer en bij de gemeente 22,50 gulden. Van dat verlies heeft hij nooit spijt gehad. Het was bij de gemeente ook hard werken maar je hield wel meer tijd over om wat bij te verdienen. Zo heeft hij de 25 jaar vol kunnen maken bij de gemeente.

IJsbaan

Bertus kreeg een goedkeuring van het waterleidingbedrijf voor een ijsbaan in Slootdorp in 1948. Niet te geloven, Bertus Toebak maakte een ijs bak samen met Postema en in een hele week 6 dagen en nachten water uit het kanaal pompen met brandslangen boven de weg over een stelling. Na deze week was de bak vol. Maar ze hield geen water vast. Oorzaak: er lag riolering onder het gras. Willem Hoes, een oudgediende van de gemeente, wist dat. Willem Hoes heeft het riool dicht gemaakt. We maakten aan het einde van de baan een afsluitput en was de ijsbaan klaar.

Info;
Handgeschreven brieven Bertus Toebak
Archief HGW
Open Archieven

terug