Aan het eind van de jaren dertig woonde er een jonge joodse jongen in Amsterdam die maar één ideaal had: emigreren naar Palestina om mee te helpen aan de stichting van een joods thuisland.
We hadden nooit van Eliäzer Delden (1916-1970) zijn bestaan geweten, ware het niet dat zijn dochter zich in 2011 meldde aan de Koggenrandweg bij familie de Graaf. Via via ging het balletje voor dit artikel in Kroniek jaargang 2012/1 rollen.
Door Marieke Roos
[ Dit artikel is op 18 februari 2026 op onderdelen aangepast. Eliäzer Delden heeft nooit verbleven in het het Joods Werkdorp Nieuwesluis ]
Dorit Delden, dochter van Eliäzer en wetenschapper uit Haifa, ziet kans aan het eind van haar verblijf in Amsterdam naar de Wieringermeer te reizen. Aanknopingspunt voor haar is een getuigschrift van haar vader, geschreven door de heer A.C. de Graaf, destijds woonachtig aan Koggenrandweg 10, op de Witte Hoeve.
De Graaf is in 1938 boer en pachter voor eigen rekening. Hij maakt Edi Delden wegwijs op diverse moderne landbouwmachines. Edi woont twee maanden in een kosthuis in Abbekerk, tijdens de oogstmaanden augustus en september 1938 werkt hij mee op het bedrijf van Adri de Graaf. Dezelfde de Graaf, die later als bekend verzetsstrijder in de Wieringermeer, figuurlijk gesproken, voor de Duitsers altijd ondergedoken wist te blijven. Tot 17 april 1945, als op die chaotische dag waarop in korte tijd duizenden mensen de polder moeten verlaten, vluchtend voor het water. Landwachters herkennen Adri de Graaf als die zich mengt in de massa bij de uitgang van de polder naar Lambertschaag.
Adri de Graaf meldt op 28 september 1938 op een getuigschrift op naam van Eliëzer Delden dat “genoemde persoon tot volle tevredenheid van ondergetekende met veel ambitie en ijver dien tijd heeft gewerkt en genoemde heeft geleerd met moderne machines om te gaan”.
Zionisme
Wat bezielt een Amsterdamse jongen van 21 jaar om in de Wieringermeer landarbeid te verrichten? De jonge Delden was gegrepen door het zionisme. Een op socialistische grondslag gestoelde beweging die streefde naar een Joods thuisland, een eigen Joodse staat. Deze beweging, aan het eind van de 19e eeuw in het leven geroepen door Theodoor Herzl, heeft een achtergrond. In Oost- Europa en tot diep in Rusland wordt de joodse bevolking (niet voor het eerst) geplaagd door pogroms. Het gaat er vaak hard aan toe. Mannen, vrouwen en kinderen laten hier soms het leven bij. Vaker nog worden bezittingen vernield en de families verjaagd naar… Ja waar naartoe? Waarheen kon je het vege lijf redden? Wie geld heeft trekt naar het Westen en verder nog, naar Amerika.
Bij anderen ontstaat het idee om naar Palestina te gaan, daar liggen hun wortels tenslotte. In die tijd (voor de Eerste Wereldoorlog) waren het de Turken die daar de dienst uitmaakten. Deze trek naar Palestina, vaak lopende en als je geluk had met paard en wagen, legt de basis voor het zionisme. Ook joodse mensen uit West-Europa (die het vaak beter hebben dan Oost-Europese joden) worden erdoor gegrepen.
Edi’s idealen
Zo ook Eliäzer Delden uit Amsterdam, roepnaam Edi, opgroeiende aan de Ceintuurbaan. Na zijn militaire diensttijd meldt hij de familie zijn plannen. De Deldens zijn niet gelukkig met de idealen van Edi. ‘Het is hier toch goed?’. Over Palestina lees je regelmatig dat het er nogal onrustig is. En een neef, ziekenhuisarts in Rotterdam, smaalt : “Wie gaat er nu naar een land waar ze op kamelen rijden! Blijf toch hier”. Deze neef zal tijdens de bombardementen van Rotterdam in mei 1940 omkomen. Het eerste slachtoffer van de familie.
Stichting joodse Arbeid
In diezelfde tijd, enkele jaren voor de Tweede Wereldoorlog komen er veel joden uit Duitsland, Polen en Oostenrijk naar Nederland. Op de vlucht voor het opkomende nazisme. Niet iedereen wil hier blijven, via Nederland lokt (Zuid-)Amerika en Palestina. De joodse gemeenschap in Nederland neemt het initiatief deze jongelui een beroep te laten leren dat in Palestina zeer gevraagd is. De Amsterdammer Abel Herzberg is hier een voortrekker in. Hij heeft ook enkele jaren in het joodse werkkamp Nieuwesluis gewoond en gewerkt als directeur.
In Palestina moet alles van de grond af opgebouwd worden. Van de Britten is geen medewerking te verwachten. De Arabische bevolking leeft samen met joden die al eeuwen rond de Jordaan wonen, maar zit niet te wachten op nieuwkomers. De nieuwe bewoners zelf moeten zorgen voor voedsel, onderwijs, huizen etc. Pionieren dus.
Van huis uit zijn de joden geen boeren. In veel landen was het hen verboden land in bezit te hebben. Daarom is opleiding nodig. In de Wieringermeer is de Stichting Joodse Arbeid de eerste pachter van landbouwgrond. De leerlingen, gevluchte jongeren, bouwen zelf hun verblijf, het complex krijgt de naam Joods Werkdorp Nieuwesluis.
Sde Nehemia
Eliäzer Delden heeft nooit in genoemd werkdorp verbleven. Wel is bekend dat hij in januari 1939 vertrok uit Amsterdam en Rotterdam opgaf als volgende bestemming. Mogelijk verbleef hij in huis bij zijn neef, de ziekenhuisarts. Duidelijk is dat Edi is aangekomen in Palestina, zich aansloot bij de kibboets Sde Nehemia in het noordoosten van het huidige Israel. Deze kibboets is in 1940 officieel begonnen en als enige gesticht door Nederlanders.
Edi is er niet lang geweest. Hij paste daar niet, volgens zijn dochter Dorit. Edi, niet helemaal gelukkig in de kibboets, meldt zich voor het Britse leger. Na de inval in Polen (september 1939) werd namelijk ook Engeland betrokken bij de Tweede Wereldoorlog. Palestina, inmiddels een Brits mandaatgebied, raakte zijdelings betrokken. De Engelsen konden wel wat joodse soldaten uit Palestina gebruiken om mee te vechten tegen de Duitse opperbevelhebber Rommel in Noord-Afrika. Later is er een speciale eenheid ingezet in Italië.
Terug in Amsterdam
In mei 1945 bevindt Edi zich in Rome in een vrij Europa. Lopend en liftend gaat hij vol hoop (en vrees) naar Amsterdam… En vindt daar niets terug. Niet-joodse buren vertellen hem dat eerst zijn vader is weggevoerd en enkele maanden later zijn moeder. Zij heeft nog vanaf de trap geroepen : “Mij kun je weghalen, maar mijn zoon niet, die zit gelukkig in Palestina!”
Terug in Palestina meldt Edi zich bij de Hagana, in Britse ogen opstandelingen tegen het mandaatgebied. In joodse ogen is Hagana het leger wat een zelfstandige staat moet realiseren wat voor alle joden een veilige thuis is. In 1948 ontmoet Edi in Jeruzalem een sabra (een in Palestina geboren joodse vrouw). Samen krijgen ze één kind: Dorit. In 1970 krijgt Edi, na in 1956 en in 1967 nog meer oorlogen meegemaakt te hebben, een hartaanval en sterft.
Op zoek naar voorouders
Toen in 2011 Dorit Delden 9 maanden in Amsterdam woonde heeft ze de gelegenheid te baat genomen sporen van haar vader en onbekende en vermoorde grootouders en verdere familie te vinden. Met de brief van Adri de Graaf in haar hand arriveert ze op een zomerdag in de Wieringermeer, op de boerderij aan de Koggenrandweg. Er is niemand thuis. Een buurvrouw weet raad. Zij brengt haar in aanraking met schoondochter Maaike de Graaf-Haarsma. Maaike vertelt dit op haar beurt weer aan dochter Irene Biesheuvel-de Graaf. Beide vrouwen hebben Dorit niet persoonlijk gesproken, maar wel contact gehad via de mail. Marieke Roos heeft later nog wat inlichtingen van Dorit gekregen.
Ze vertelt dat zij haar vader en zijn familie beter wilde leren kennen. Edi is namelijk nogal zwijgzaam geweest over zijn jeugd. Eenmaal in Amsterdam ontdekte Dorit veel sporen van haar grootouders en verdere familie. Waar ze woonden, waar ze stierven: in Sobibor en Auschwitz. Er is geen graf om te bezoeken. En zo komt aan het licht dat een verblijf in de Wieringermeer voor Edi Delden mee de voorbereiding vormde voor zijn bestaan in Israël.
Verbeteringen ingevoerd door Anita Blijdorp op 18 februari 2026. Bronnen: Stadsarchief Amsterdam; Westfries Archief; Archief gemeente Ede.
