Gebied C.
grafnr. C\440
Willem Hoes werd geboren op 21 juli 1904 in Zwolle als zoon van Arend Hoes en Gerrigje Kijk in de Vegt. Als twintiger werkte Willem een poos in een Twentse textielfabriek tot hij in 1929 ontslagen werd. Moeder Hoes was al naar Amsterdam verhuisd, in Twente was geen droog brood te verdienen, Willem ging haar achterna.
Zuiderzeewerken
In 1930 kreeg Hoes werk bij de Heide Maatschappij en werd gedetacheerd bij de toenmalige Voorlopige Directie van de Wieringermeer. Op naar Wieringen, naar de Zuiderzeewerken. Willem begon met werk aan de sluis bij Kolhorn. ‘Werkelijk waar, het was net het scheppingsverhaal. Die ruimte. Het was alles slik en blubber.’
Daarna begon het graven van sloten en greppels om de polder te ontwateren. Duizenden kilometers sleuven, voor het merendeel met de hand gegraven. Eerst bij Kolhorn en daarna alsmaar verder de polder in. ‘Je had er niks, alleen wat schelpenpaden en wegen van Hoogovenslakken. Alles op de fiets, door weer en wind.’ De eerste natte winter 1930/31, waren de omstandigheden slecht, er brak ook nog eens griep uit. Maar een lichtpuntje was er ook. Willem had tenminste werk, hij kon een gezin starten. Op 11 februari 1931 trouwde Willem in Amsterdam met Egberdina Hulzinga.
Begreppelen
1931/1932 (…) Het was pezen en ploeteren in de polder. Met machines maar ook met de schop. De machine voor het begreppelingswerk gooide de grond maar naar één kant terwijl de grond juist op beide kanten terecht moest komen. En dat mochten de arbeiders doen. Je moest je dood werken. Willem fietste dagelijks naar zijn werk in de Wieringermeer, ook in de buurt van de Oude Zeug. Het was zwaar werk. Na verloop van tijd verhuisden Egberdina en Willem van Kolhorn naar Sluis I (het latere Slootdorp), vervolgens naar Middenmeer en uiteindelijk naar Wieringerwerf.
Gemeentewerken
Willem werd eerste gemeentewerker in de Wieringermeer. Hij had de eerste auto in de polder waarmee vuilnis werd opgehaald. Op 1 juni 1932 kwam de eerste brandspuit in de polder. Tijdens een demonstratie in Slootdorp, waar Willem ook bij was, werd de brandweer gevormd. Na de onderwaterzetting in 1947 heeft Willem de brandweer opnieuw opgebouwd. De brandweerwagen was tijdens de oorlog gevorderd door de Duitsers, dus er moest een nieuwe komen. Er werden wedstrijden gehouden waarvoor veel werd geoefend. De brandslangen waren destijds van vlas en lekten in het begin als ze onder druk stonden, maar na een paar minuten was dat verholpen. De slangen werden te drogen gehangen in de brandslangentoren. In 1948 werd al het oefenen beloond met een kampioenschap in klasse C.
Na zijn pensioen, toen hij de brandweerslang aan de wilgen had gehangen, had de brandweerkazerne eigenlijk naar hem vernoemd moeten worden: de Willem Hoeskazerne. Hij was een brandweerman in hart en nieren.
Bronnen
Noordhollands Dagblad, 26 februari 1976. Interview met Willem Hoes.
Kroniek 72, 2013-3, blz 11 t/m 13 ‘Een groot brandweerman’, door: zoon Arend Hoes.
